zo28052017

Back Voorpagina Cultuur Magazine over kunst, cultuur en uitgaan Gerrit Hoogstraaten ontmoet...

Een dochter van Vulcanus

Judith Heinsohn

Ze neemt me direct enthousiast mee in haar wereld, alsof het heel vanzelfsprekend is dat we daar nu samen rondlopen, ook al hebben we elkaar nooit eerder gezien. In de lange gang op weg naar haar atelier ligt een van haar beelden, naakt en weerloos en aan de kant geschoven op een oud matras, een beetje verweesd hier. Het is te groot voor haar atelier, dat al zo vol staat met alle andere beelden. Je bent hier nooit alleen, zei laatst nog een galeriehouder tegen haar.

Voor Plato’s grot: wie lopen daar?
Gerrit Hoogstraaten ontmoet
Judith Heinsohn

‘Laat ik hier meteen een foto van je maken,’ zeg ik. Met een klein glimlachje poseert ze voor me, en even lijkt het of de liggende vrouw zo in haar armen wil kruipen.

‘Het is raar dat ze hier zo ligt hè,’ zegt ze. ‘Maar je kunt nu wel goed zien hoe ik de romp heb gevormd op een basis van rioolbuizen. Die buizen komen uit de keramische fabriek in Oost-Duitsland waar ik in de zomer van 2012 een paar weken ben geweest. Wel grappig trouwens dat ik nog steeds Oost-Duitsland zeg, ik ben van oorsprong Duitse, blijkbaar bestaat voor mij nog steeds dat onderscheid tussen Oost en West.’

‘Maar in 2012 toch al niet meer?’

Judith Heinsohn

‘Nee, daarom kon ik er ook gewoon zijn. Nou ja, zo gewoon was het niet, het was natuurlijk heel bijzonder dat ik als kunstenares in zo'n mannenwereld werd toegelaten. Een enorm bedrijf, met grote hallen en met een oven van honderd meter lang, probeer je dat eens voor te stellen!’

 We lopen door naar haar atelier, verderop in de gang trekt ze aan een koord waardoor de zware plastic lamellen die toegang geven tot een soort tocht-corridoor automatisch openschuiven. Een mechaniek dat baldadigheid oproept, ik heb meteen zin zelf aan dat koord te trekken. In haar atelier schijnt de zon, het is er niet heel warm maar vergeleken met de kou waar ik net uit kom is het weldadig. Mijn vingers ontdooien, ik voel ze tintelen. Van alle kanten kijken Judiths beelden naar me, nieuwsgierig naar de vreemdeling die hier zo plompverloren binnenvalt. Een vruchtbaarheidsgodin met drie borsten overziet vanaf haar plaats voor het raam de hele ruimte, ze keurt mijn aanwezigheid en lijkt ermee in te stemmen. Judith glimlacht weer. Heeft ze door hoe haar beelden mij hier welkom heten? Ik denk het wel, en ik laat prompt alle reserves varen. Hier ontkom je toch niet aan welke emotie dan ook.

‘Ik was er de enige vrouw tussen al die mannen,’ vervolgt ze haar verhaal over de keramiekfabriek. ‘Het was een hete zomer, in de gigantische hal was het veertig graden, naast mij werd die oven gestookt tot 1140 graden, dus je begrijpt dat ik daar niet in mijn winterjas stond. Ik was er elke dag van ’s morgens vroeg tot tien uur ’s avonds. Die mannen werken in shifts, dus ze konden in verschillende ploegen van mijn aanwezigheid genieten en dat deden ze dan ook volop. Er waren er die regelmatig vanuit een andere hal met een vorkheftruck langs kwamen rijden om te zien hoe die vrouw in dat hemdje en die korte broek daar aan het beeldhouwen was, ik voelde me heel stoer. Er was één man, dat was echt een fan geworden, die kwam ook als hij geen dienst had nog langs, die keek zijn ogen uit naar hoe ik daar stond te zwoegen en met een stuk hout op de klei stond in te hameren.’

‘Met een stuk hout? Dat moet je me even uitleggen…’

Judith Heinsohn

‘Ik laat het je zien.’

Ze opent een la onder haar werktafel en haalt er een soort stok uit zoals ik die als klein jongetje wel op bouwplaatsen vond, zo’n dikke lat die je altijd wel ergens voor kon gebruiken al had je nog geen idee voor wat dan wel.

‘Kijk,’ zegt ze, ‘ik heb er in het bovenste deel een paar holle gaten in gemaakt, van verschillende grootte. Dus als ik er maar hard genoeg mee op de klei sla vervorm ik het oppervlak en breng ik er structuur in aan, daardoor wordt de huid ook zo levendig. Ik heb zelfs geprobeerd dat effect rechtstreeks op die vacuüm geperste buizen zelf aan te brengen, maar die waren al zo hard waardoor het moeilijk lukte. Stond ik daar uit alle macht op zo’n buis te slaan, ik geloof dat ze toen toch dachten dat ik misschien wel niet helemaal goed bij mijn hoofd was.’

‘Zoiets zien ze ook niet elke dag.’

‘Nee, en het was leuk, het was een geweldige ervaring, maar ook heel erg vermoeiend. Aan het eind van de dag stortte ik bekaf in mijn bed, de volgende morgen weer aan het werk, mijn man heeft me nauwelijks gezien in die tijd.’

‘En exposeer je de beelden die je daar hebt gemaakt nu ook vaak?’

‘Zeker, ze zijn net terug uit museum Het Dolhuys in Haarlem, daar waren ze tot drie januari deel van de groepsexpositie Ontmoetingen. Daarom staat het hier nu ook zo vol. Het is altijd een heel gedoe om ze te vervoeren. De dame op de gang gaat straks naar het binnenhofje waar ik woon, op het Borneoplein. Daar krijgt het beeld voorlopig een plaats tot een volgende expositie. Iedereen die er woont is er heel blij mee dat het daar komt. We moeten het zware beeld liggend vervoeren en daar dan rechtop zetten, daar heb ik de hulp van minstens drie sterke buurmannen bij nodig. We wonen met meer kunstenaars rondom dat hofje, in atelierwoningen, we zijn een kleine gemeenschap op zichzelf. Maar de laatste tijd gaan die woningen als ze vrijkomen ook naar gewone mensen, die geen kunstenaar zijn, dat is wel een beetje een vreemde ontwikkeling. Gelukkig zijn het wel heel aardige mensen, er is pas weer een heel sympathiek stel komen wonen, alleen wordt het langzaam toch anders. De gemeenschap die wij als kunstenaars met elkaar vormden is dan niet meer zo’n enclave als het was.’

Ik denk nog even na over de nieuwe bewoners die geen kunstenaar zijn, maar gewone mensen. En ik kan het niet laten toch de vraag te stellen, al ken ik het antwoord al zelf en weet ik dat het nooit helemaal valt uit te leggen. Er is altijd een element van verdediging waardoor die uitleg onzuiver wordt.

‘Zijn kunstenaars dan geen gewone mensen?’

‘Natuurlijk wel, ook, maar je begrijpt elkaar nu eenmaal beter als je zelf ook met kunst  bezig bent, dat is gewoon zo. Voor mij zijn emoties belangrijk, daar gaat het om in mijn werk. Ik probeer die in mijn beelden vast te leggen en daar is een ongewone levenshouding voor noodzakelijk. Ik bedoel dat heel praktisch, in die zin dat je er de tijd voor moet nemen, en de ruimte. Tijd die je in alle eenzaamheid in die ruimte doorbrengt, hoe vervelend dat zelfverkozen isolement soms ook kan zijn.’

Judith Heinsohn

‘Ja, dat herken ik. Eenzaamheid vreet en eenzaamheid voedt.’

‘Je bent wel een wijsneus hè! Maar je hebt gelijk, en er is een verschil met de keuzes die anderen maken. Iemand die naar kantoor gaat rent de hele dag over zijn emoties heen, terwijl het voor mij dus juist essentieel is me daarop te kunnen concentreren.’

Hoewel ik betwijfel of het eerste deel van haar stelling wel houdbaar is, dat mensen die naar kantoor gaan de hele dag over hun emoties heen rennen, is het resultaat van die opperste concentratie onmiskenbaar sterk aanwezig in alles wat hier staat.

‘Het gaat om mijn eigen emoties,’ verduidelijkt ze, ‘maar die zijn niet anders dan die van een ander. Of laat ik het zo zeggen: ik probeer door te dringen tot de universele kern daarvan, en die uit te beelden.’

Ze heeft veel gereisd, onder meer in Afrika, Centraal Amerika en de Indonesische archipel. Overal waar ze komt kijkt ze vooral naar de mensen, eerder nog dan naar de natuur. Ze kijkt naar hoe ze bewegen, hoe ze praten, hoe ze doen.

‘Ik pas me ook steeds aan mijn omgeving aan, om er deel van te worden. In Jemen bijvoorbeeld voelde ik dat het dragen van een lange broek tussen al die burka’s niet klopte en dus trok ik een lange rok aan. In Ethiopië had ik precies het omgekeerde, daar wilde ik het liefst meteen meedoen met een kort rokje en bloot bovenlichaam. Ik heb daar ook heel vaak meegedanst met de lokale bevolking. De Afrikaanse dans, dat zit ergens diep in mij, ik vind dat heerlijk om te doen en volgens mij heeft iedereen dat wel een beetje, dat oergevoel van dansen om een kampvuur. Je hebt je vorige leven hier doorgebracht, zeiden ze tegen mij.’

Hoeveel levens zal ze ook al wel niet hebben geleid voor ze tot zo’n ongewoon veelzijdig en internationaal hoog gewaardeerd oeuvre van sculpturen, installaties, tekeningen, schilderijen en foto’s kon komen, vraag ik me af. Voor de rationalist die ik graag ben geen serieuze vraag, ik geloof niet zo in het behoud van een persoonlijke identiteit over de grenzen van de eigen kortstondigheid heen. Maar toch, bij haar ervaar ik het niet als koketterie als ze zoiets zegt, eerder als een uiting van vast geworteld zijn in ons collectief geheugen, waarvan niemand precies weet hoever dat teruggaat, maar in elk geval verder dan onze woordtaal reikt.

Judith Heinsohn

Wie haar site bezoekt,  www.judithheinsohn.com, ziet met eigen ogen wat ik bedoel. Bij haar foto’s werd ik meteen aangetrokken tot de serie Shadows. Natuurlijk moest ik daarbij denken aan het verhaal van Plato’s grot, de rode draad in deze reeks artikelen. Mensen die van de werkelijkheid alleen de schaduwen zien op de rotswand waarvoor ze zitten vastgeketend. Die schaduwen worden geworpen door beelden die voor de ingang van de grot worden langsgedragen. Wie aan de duisternis ontsnapt zal die werkelijkheid pas zien als hij aan het felle licht gewend is. Op het moment dat hij terug in de grot verslag wil doen van zijn ontdekking, zal men niet naar hem willen luisteren omdat hij in het donker nu weer blinder is dan zij.

Ook aan Judith de vraag dus die ik al mijn gesprekspartners hierover stel: hoe zie jij jezelf in dat verhaal, waar zou je jezelf plaatsen, wat spreekt je er als kunstenaar vooral in aan. De antwoorden die ik tot nu toe kreeg waren vaak anders dan ik verwachtte, tot nu toe vond niemand dat een kunstenaar degene is die voor de grot loopt. Judith is de eerste die daar geen twijfel over laat.

‘Natuurlijk ben ik een van die mensen die daar voor de grot lopen met hun beelden! Zo heb ik een beeld gemaakt van wat ik in dit verband nu maar even mijn ideale man noem, dat wil dus zeggen, mijn idee van hoe die eruit ziet. De verhoudingen zijn net iets anders dan ze normaal gesproken horen te zijn, maar dat zie je pas als je heel goed kijkt. En dat ik daar tussen andere kunstenaars loop, dat geloof ik ook. Ik maak beelden zoals ik ze zelf graag in het museum wil zien, daarmee zoek ik contact met het publiek, maar ik druk er ook mijn verbondenheid met andere kunstenaars mee uit.’

Judith Heinsohn

Ha, denk ik, nu weet ik waardoor ik me in een museum, alleen al door daar te zijn, vaak anders voel dan in de wereld daarbuiten: ik ben er even voor Plato’s grot, in het volle licht. En nu ontmoet ik dus iemand die het heel vanzelfsprekend vindt om daar dagelijks te zijn, en gewoon, voor haar werk. Uit welk godenpaar is zo iemand geboren? Voor die vraag de rand van mijn bewustzijn bereikt, verrast ze me opnieuw.

‘Ik vond het dus wel een leuk verhaaltje,’ zegt ze, ‘maar het stukje dat daarna komt vond ik nog veel interessanter.’

‘Ik weet even niet, welk stuk bedoel je?’

‘Over Plato’s Eros-leer, daar herkende ik nog veel meer mezelf in. Dat staat als volgend tekstfragment in het documentje dat je me hebt gemaild, volgens mij bedoeld voor studenten filosofie of voor middelbare scholieren, er stonden ook vragen onder.’

‘Klopt, dat is waar ook, het kwam van een of andere site van een leraar geloof ik, maar ik heb dat tweede stuk zelf nooit gelezen eigenlijk.’

‘Moet je doen, ik vond het veel meer van toepassing op mij dan dat eerste stuk. Het gaat  over  de Schoonheid en over hoe we die waarderen. Eros, de liefde, is volgens Plato onze reactie op alles waar we die schoonheid in aantreffen. Zodra wij schoonheid zien, in een mooi lichaam bijvoorbeeld, of in een mooi voorwerp, willen we dat bezitten en er altijd bij in de buurt zijn, zegt hij. Dat gaat dan in eerste instantie om uiterlijke schoonheid, waar je je persoonlijk toe aangetrokken voelt, in een zintuiglijke waarneming. Maar naarmate je vaker mooie lichamen en mooie dingen ziet ga je de waardering daarvoor veralgemeniseren, dan zie je schoonheid in alle dingen, je gaat de "Idee Schoonheid" daarin herkennen. En dat maakt je natuurlijk tot een heel gelukkig mens, zelfs al ben je geen kunstenaar. Als kunstenaar kun je volgens Plato wel nog hoger op de ladder van die waarneming stijgen door je Eros ook in geestelijke zin op Schoonheid te richten, op de schoonheid van het innerlijk, niet alleen die van het uiterlijk. En die gedachte spreekt me heel erg aan. Mijn beelden, altijd lichamen, spreken over hun innerlijk. Hun uiterlijke schoonheid, of lelijkheid, is niet bepalend voor wat ze je laten zien. Bij mij kan uiterlijke schoonheid in één en hetzelfde beeld daarom juist ook heel goed gecombineerd zijn met de expressie van innerlijke angsten, emoties, verdriet, depressie. Ik gebruik vaak dat contrast, die verscheurdheid, waardoor mijn beelden ook hun kwetsbaarheid tonen.’

Judith Heinsohn

‘Dat begrip kwetsbaarheid kom ik inderdaad in alle interviews met jou wel tegen, er wordt vaak gezegd dat die kwetsbaarheid en dan vooral die van vrouwen het belangrijkste thema is in je werk. Zit daar ook iets feministisch in?’

‘Ja, nee, of ja, maar alleen omdat ik zelf een vrouw ben, ik ben niet per se een feministe. Ik kies wel vaak vrouwen tot onderwerp, vrouwen die mooi en sterk zijn en tegelijkertijd belaagd worden en kwetsbaar zijn. En wat misschien ook heel vrouw-eigen is, ik hou van aardse kleuren, ik werk graag met rood en zwart bakkende klei en met mooi geglazuurde potscherven, gebroken aardewerk, een halve kruik waar de oren nog aan zitten. Vaak ook met wat ik zo uit de natuur haal. In Afrika heb ik in steen gewerkt die ik daar vond, op Lanzarote heb ik geboetseerd met een soort lava, vulkanische aarde. Als ik daar liep om die te verzamelen leek ik zelf wel zo uit de vulkaan vandaan gelopen, mijn haren en gezicht witgrijs van de vulkanische as. Ik voelde me dan wel, ik kan het niet precies uitleggen, helemaal als vrouw verbonden met die natuur.’

‘Maar bij manlijke kunstenaars vind je die voorkeuren toch ook en die kiezen ook vaker de vrouw tot model dan de man, dacht ik.’

‘Dat is waar, natuurlijk vind je in alle kunst vooral het vrouwelijk naakt, meer dan het manlijk. Dat is toch de erotiek van het vrouwenlichaam, onder alle omstandigheden. Deze Aphrodite, bijvoorbeeld, zie je wat een mooie billen zij heeft? Daar hou ik van, van mooie billen, die laat ik zien ook al zijn ze verborgen. Dat laatste zal ik even uitleggen: ik heb ook beelden gemaakt van gesluierde dames en ook bij hen besteed ik extra aandacht aan hun billen. De sluier fascineert me daarbij, die zowel afdekt als uit doet komen, die je vertelt wat je van haar mag zien en wat ze voor je verborgen houdt. Ik speel daarmee, ik zei het al, ik werk graag met contrasten.’

Judith Heinsohn

Dat die contrasten niet alleen voortkomen uit innerlijke verscheurdheid of onderdrukking van vrouwelijke kracht, maar ook kunnen verwijzen naar wat er in de wereld aan hartverscheurends gebeurt, wordt schrijnend duidelijk in haar project “Hangende huiden”. We zien de huiden van donkerkleurige zwangere vrouwen, opengesneden en als boksballen in de ruimte bungelend, een aangrijpende confrontatie van vruchtbaarheid en dood, oerdrift om te leven en drang tot vernietiging, Eros en Thanatos. De huiden zijn gemaakt van aluminiumcement en staaldraad maar komen schokkend levensecht over. Ze zijn al op veel plaatsen geëxposeerd, onder meer in Amsterdam, Hamburg, Dresden en Katowice.

‘Die mensenhuiden waren geïnspireerd op de afschuwelijke burgeroorlog in Rwanda,’ vertelt ze daarover. ‘Elke avond die verschrikkelijke beelden op tv. Op een gegeven moment kon ik er niet meer omheen. Ik voelde me schuldig als mens. Ik vond het gek dat wij mensen dit allemaal lieten gebeuren. Ik heb in 1994 ook een installatie in Het Amsterdamse Bos gemaakt, van torso’s die ik ondersteboven tussen twee houten stammen ingeklemd in de lucht liet hangen. Dat werk was vier meter hoog en negen meter lang en heette “the never ending story”. Wij weigeren te leren. Er is nog steeds op zoveel plekken oorlog.’

Het zou een waardig einde kunnen zijn van ons gesprek, maar ik heb haar nog helemaal niet gevraagd naar haar ontwikkeling en opleiding tot kunstenaar.

‘Hoe en waar is eigenlijk jouw kunstenaarschap begonnen? Of ben je dat gewoon je hele leven al?’

‘Dat laatste, natuurlijk, ik weet zelfs niet of er wel een moment is aan te wijzen dat ik het werd, als je dat al kunt zeggen. Toen ik negen jaar was, we woonden in Hamburg, kocht mijn moeder een keramiek-oven en binnen de kortste keren stond het hele huis vol met mijn beelden van alles wat ik zag en meemaakte. Van het schaatsen bijvoorbeeld, of van een concert waar we waren geweest, alles in klei en dat werd dan in die oven gebakken. Op mijn vijftiende ging ik naar Engeland, een jaar lang naar een internationale school. Daar leerde ik de Doka kennen en raakte ik helemaal verslingerd aan fotografie. Sindsdien heb ik overal waar ik woonde een Doka gehad, tot ik zwanger werd en die giftige dampen niet meer in mijn huis wilde. Nou ja, en tegenwoordig kan alles digitaal, ik heb geen Doka meer nodig al kan ik me voorstellen dat er fotografen zijn die daar nog steeds graag mee werken. Rond mijn twintigste ging ik naar de Rietveld, daar ben ik in 1994 afgestudeerd bij de afdeling beeldhouwen, maar ook daarna heb ik veel cursussen gevolgd, je raakt natuurlijk nooit uitgeleerd in dit vak.’

Waarom stel ik ook eigenlijk zo’n voor de hand liggende vraag? Ik heb ineens het idee dat de beelden in haar atelier nu wel genoeg hebben gezien van deze bezoeker – en ja, als ik dat soort dingen ga denken is het duidelijk tijd om op te stappen. Maar er is nog één verhaal dat ze aan me kwijt wil, over het beeld dat ze haar Mexicaanse mannetje noemt, een rondbuikig en enigszins voorovergebogen kereltje op kromme beentjes, opgebouwd uit een halve kruik waarvan de oren de armen werden, en met een hoofd dat eigenwijs een kleine neus in de lucht steekt.

Judith Heinsohn

‘Ik heb dat beeld gemaakt in 2014, toen ik die kruik had gevonden en er meteen een romp met een beetje zielige armpjes in zag. Het mannetje ontstond verder vanzelf. In datzelfde jaar was ik op het strand van Coney Island bij New York en daar gebeurde iets heel ongelooflijks. Ik filmde een paar krachtsporters die daar bezig waren op een soort turnveldje in het zand. Ze drentelden behaagziek met hun goedgetrainde lijven om elkaar heen, bewonderden elkaars sixpacks en deden oefeningen aan de rekstokken die daar stonden.’

‘En hun schoonheid wilde je vastleggen?’

‘Nee, die vond ik juist niet zo interessant, maar terwijl ik aan het filmen was zag ik verderop een klein mannetje lopen, een beetje kreupel en leunend op een stok, en ik wist niet wat ik zag: dat was mijn Mexicaantje! Die liep daar ineens zomaar werkelijk rond! Hij kwam steeds dichterbij, en wat het mooiste was, ik hoefde mijn camerastandpunt niet te veranderen omdat hij gewoon regelrecht het beeld binnenliep en op een bankje tussen die sportende mannen ging zitten. Mooier kon het niet! Die tegenstelling ook weer, van dat beetje mismaakte lichaam met die sporters. Het filmpje staat op youtube, Männersprache heb ik het genoemd. Ik heb hem gedraaid bij mijn presentatie voor de Open Ateliers Centrum Oost vorig jaar. Als je die toen niet hebt gezien, dan kun je hem nog op youtube vinden.’

Dat doe ik terwijl ik dit artikel schrijf  www.youtube.com. Ik zie de sportende mannen, mooie muziek daaronder, maar na een tijdje gaat het toch vervelen. Tot na bijna twaalf minuten een kleine man met een plastic tas opduikt, alsof hij zo uit zee komt gelopen. Meeuwen vliegen rond zijn hoofd als hij op zijn dooie gemak op het bankje bij de rekstokken plaatsneemt. De fitness-show verandert ineens in een verhaal van Gabriel Garcia Marquez. En in mijn hoofd kruipt het antwoord op de vraag uit welk godenpaar Judith Heinsohn als kunstenares moet zijn voortgekomen nu net zo over de rand van mijn bewustzijn als dat mannetje over de rand van het strand.

Vulcanus, in de Griekse mythologie Hephaistos, was de God van het vuur, de smederij en de vulkanen. Hij was klein en een beetje mismaakt, met kromme benen waarop hij mank liep, maar wel met sterke armen van het smidswerk. In de Romeinse mythologie was hij een zoon van Juno, die hem meteen na zijn geboorte van de Olympus wierp omdat ze hem zo lelijk vond. Hij kwam in zee terecht en werd opgevoed door twee nimfen. Later nam hij wraak op zijn moeder door een gouden troon voor haar te smeden waaruit ze niet meer op kon staan. Hij bevrijdde haar daaruit op voorwaarde dat hij mocht terugkeren naar de Olympus en dat ze hem Venus (Aphrodite) tot vrouw gaven.

Zouden die twee een dochter hebben gekregen?

© Gerrit Hoogstraaten, maart 2016

 


Verberg commentaar formulier Verberg commentaar formulier
  • Vet
  • Cursief
  • Onderstrepen
  • Doorhalen
  • Quote
 
  • 4000 Resterende tekens
   
 

Plato's grot  Stel je de situatie voor van iemand die gevangen zit in een grot, met zijn rug gekeerd naar het vuur. Hij is zich van het bestaan van de gang achter hem niet bewust, want hij zit zodanig vastgeketend dat hij alleen maar voor zich uit kan kijken. Het enige wat hij ziet, zijn de schaduwen op de rotswand van voorwerpen die achter zijn rug door mensen worden gedragen. De gevangene houdt uiteraard de schaduwen voor de werkelijkheid. Pas wanneer hij zich op een of andere wijze van zijn ketenen kan bevrijden en zich naar boven, naar de uitgang en het vuur begeven, neemt hij de echte voorwerpen waar. Hij is echter niet gewend aan het licht en zal pas na lange tijd daartoe in staat zijn. Maar als hij terugkeert naar de grot, zullen zijn medegevangenen niet weten waar hij het over heeft. Zij zullen hem zelfs als een gevaar zien en hem mogelijk doden.

Onafhankelijke website met nieuws en informatie voor en door mensen die wonen, werken en studeren tussen Amstel en IJ

Bijdragen en contact 
redactie@oost-online.nl | Copyright 2015 oost-online | All rights reserved | Disclaimer |